Tienray in de Tweede Wereldoorlog 1940-1945.

 

Op 5 mei 1940 viel het Duitse leger ons land binnen. Anselm van de Voort voelde zich geroepen om het genadebeeld veilig te stellen. Van 10 mei 1940 tot 7 december 1940 werd het onder de vloer van de woonkamer bewaard. De draagbaar evenals de koperen kaarsenstandaard bleven zelfs tot 6 mei 1944 onder zijn hoede, omdat er toch geen processies meer kwamen.

In de beginperiode kwamen veel mensen uit Broekhuizenvorst via Swolgen naar Tienray, gevlucht voor het oorlogsgeweld. Bij de familie Raymakers, Spoorstraat 7, kregen bijvoorbeeld de families Lichteveld en Litjens onderdak in de gelagkamer. Na verloop van tijd gingen deze vluchtelingen weer terug naar hun eigen dorp. Bij Raymakers was behalve een beugelbaan ook een slachterij, los van het huis. In 1944 waren de Duitsers daar actief met het slachten van vee voor de eigen militairen in het veld. Het ging er niet altijd deskundig aan toe. De soldaten kregen het bijvoorbeeld niet voor elkaar om een stier te doden. Ze gebruikten er maar liefst zeven kogels voor. Vader Antoon Raymakers ergerde zich gruwelijk aan deze dierenkwellerij. Hij nam een aks en sloeg met de achterkant ervan het beest in één klap dood, tot verbazing van de omstanders.

De aardappels voor de Duitse militairen in de omgeving van Overloon werden geschild bij G. (Sir) van Rijswick, Spoorstraat 68. Daartoe werden de mensen van Tienray verplicht.

In 1943 moesten alle mensen hun radio inleveren. De bezetter was bang, dat naar de B.B.C. geluisterd zou worden. In Tienray werden dertig toestellen ingevorderd. In het centrum was in 1929 elektriciteit (wisselstroom) aangelegd. Daarom werkten de meeste op wisselstroom, de andere op gelijkstroom.

Ook fietsen moesten ingeleverd worden. Maar liefst 88 rijwielen. Bij beide invorderingen werd een keurig bewijs overhandigd.

Op 6 oktober 1944 werden ongeveer veertig jonge mannen uit Swolgen en een aantal uit Tienray gedwongen aan de Grote Moolenbeek te gaan werken. De bedoeling was dat het voor de geallieerde tanks nagenoeg onmogelijk zou worden er overheen te trekken. Bij deze werkzaamheden werd Swolgenaar Gerard Peeters door een kogel getroffen, die waarschijnlijk niet voor hem bedoeld was.

Op 31 oktober 1944 om 10.45 uur begonnen de Britten vanuit Venray Tienray met granaten te bestoken. Om 12.00 uur waren er drie doden te betreuren: Harrie Wijnhoven, Truusje Nabben en de heer Denen, een evacué uit Vierlingsbeek. Na de middag kwamen nog twee mensen om, evacués uit Venray, die in het klooster waren ondergebracht. De beschieting hield pas op 1 november om 15.00 uur op. Kort daarna haalde pastoor Dinckels samen met de koster het Allerheiligste uit de kerk en bracht het naar het klooster, evenals kelken, cibories, relikwieën en paramenten. Daarna werd de zwaar beschadigde kerk niet meer gebruikt.

Veel huizen raakten door de beschietingen zwaar beschadigd. De pastorie kreeg verschillende voltreffers, waardoor de binnenmuren van de keuken en de bijkeuken instortten. Er bevonden zich tijdens deze beschieting 23 mensen in de kelder. Die wisten zich later met grote moeite uit het puin te bevrijden.

In de kelders van het klooster zaten ondertussen ruim tweehonderd vluchtelingen opeen gepakt. Ze kwamen uit Tienray, Oirlo, Venray, Wanssum, Maashees en Vierlingsbeek.

In november kwam het bevel, dat heel Tienray ontruimd moest worden. De streek was aangewezen als "Sperrgebiet", ondanks de pogingen van pastoor Dinckels en een paar Duits sprekende zusters om dat te voorkomen. De zieken, bejaarden en zusters mochten in het klooster blijven, de overige mensen moesten direct het gebied verlaten. Iedereen moest zelf kiezen waarheen. De familie Clabbers kwam via Wanssum en Oostrum in Venray terecht op het St. Annaterrein. Daarna ging het via Deurne naar St. Anthonis. De familie Raymakers verbleef in de kelder van het gemeentehuis in Meerlo. Na verloop van tijd trokken ze via St. Servaas in Venray, Leunen en Helmond naar Eindhoven. Daar werd iedereen eerst ontsmet, bang als men was voor luizen en ander ongedierte. Uiteindelijk kwam deze familie in een boerderij in Borkel en Schaft bij Valkenswaard terecht. De familie Kersten evacueerde naar de Herenbosweg in Melderslo, een paar honderd meter van huis.

De familie Thijssen (Swolgenseweg 41) nam het nieuwe naaimachine op de kruiwagen mee.

 

Twee razzia´s.

 

Bij de eerste razzia op 17 oktober 1944 werden drie mannen opgepakt, waaronder Grad Thijssen, Swolgenseweg.

Bij de razzia op 17 november 1944 werden de mannen jonger dan vijftig jaren opgepakt en in Duitsland te werk gesteld. Diverse mensen dachten een veilig heenkomen gevonden te hebben in de steenfabriek tussen de stapels stenen en zelfs in de donkere ringoven. Anderen verstopten zich in het bos. Jan Raymakers, Piet Huberts en Michel Knoops doken ook onder. De eerste twee verstopten zich op de vliering van de slachterij op Spoorstraat 7. Ze moesten zich stil houden, want beneden waren de Duitsers aan het werk.

 

De volgende mensen wisten niet te ontsnappen en werden opgepakt:

1. Lei Verlinden, Herenbosweg te Melderslo. Hij heeft in Duitsland voor het eerst gekookte klaver gegeten.

2. Toontje Huberts, hij woonde destijds op de Spoorstraat (Oude Tolhuis), heeft hierover een boek geschreven.

3. Gerrit Kusters, Spoorstraat 33. Hij is tijdens het transport gevlucht.

4. Ger Versleijen, Spoorstraat 49.

5. Piet van Well, Spoorstraat 2.

6. Jan Gielens, Spoorstraat. Beter bekend als Gielen Witte. Hij woonde destijds in het overweghuisje op de Spoorstraat.

7. Jacob Schreven, Over de Beek.

8. Sir Hermkens (G.H.). Deze man heeft een dagboek bijgehouden. Sir is met vijf broers opgepakt

9. Jan van Berlo, 10. Jo Derks, 11. Frans Dietz, 12. Antoon Emons, 13. Jac. Gielens,

14. Frans Raymakers, 15. Jan Rongen, 16. Harry Steegmans, 17. Jan Janssen, 18. Piet Janssen, 19. Sjaak Janssen, 20. Harry van Lin, 21. Louis van de Munckhof, 22. Piet van de Munckhof, 23. Sjeng van de Munckhof en 24. Jan Peters.

 

In Tienray werden ook mensen uit Oirlo opgepakt, die hier geëvacueerd waren: A. Claessens, Fons Claessens, Ties Claessens en Jeu Geurts.

Aanvankelijk was het de bedoeling, dat alle opgepakte mensen uit de naaste omgeving naar het station van Tienray gebracht werden. Bij het kapotgebombardeerde stationnetje stonden de mensen uren te wachten in de stromende regen. Burgers uit de wijde omgeving brachten de wachtenden brood, kleding en rozenkransen. Er kwam echter geen trein. Tegen de middag van de zeventiende oktober moest iedereen, die nog niet gevlucht was, aantreden voor een voettocht naar Broekhuizen. Omdat de veerpont vanuit de lucht beschoten werd moest iedereen verder marcheren naar Lottum, Grubbenvorst, Blerick en Venlo.

Vanuit Venlo ging het in aftandse wagons naar Friedrichfeld. In de trein zaten 886 mensen. Even voorbij Breijel werd de trein door de Geallieerden beschoten. De mensen vluchtten uit de trein het struikgewas in langs de rails. Diversen vonden een veilig heenkomen in de steenfabriek van de familie Hovens. Herman en zijn broers stonden om de beurt op de uitkijk, om een blijvende bescherming te bieden. Ger Versleijen raakte bij die beschieting zwaar gewond en overleed met nog twee anderen in het ziekenhuis in Breijel. De nabestaanden in Tienray werden totaal aan hun lot overgelaten. Moeder Versleijen moest maar zien, hoe ze de eindjes aan elkaar knoopte. De dwangarbeiders kwamen na 5 mei 1945 via een omweg in Tienray terug.

 

Op 22 november 1944 lieten de Duitsers de toren, die ze in september al van springstof voorzien hadden, in de lucht vliegen. Er bleef nagenoeg niets staan. Van het oude klokje van 1493 restten slechts scherven. Ook de bomen rondom de kapel moesten het ontgelden. De winkel bleef wonder boven wonder staan. Te midden van de verwoesting bleef alleen de Calvarieberg met kruisbeeld rechtop staan.

 

Pastoor Dinckels liet het Genadebeeld en vele versierselen van de kerk tijdig opbergen in de verwarmingsruimte onder de vloer van de kerk. Dit alles werd later, gelukkig onbeschadigd, onder een laag van vier meter puin teruggevonden en naar het klooster gebracht.

 

Op vrijdagavond 24 november 1944, daags voor de bevrijding, lagen de Duitsers nog aan de overweg en de "Oude Mackayweg", de oude weg naar Melderslo. Er vond een vuurgevecht plaats tussen de Duitsers en een Britse verkenningspatrouille vlak bij het huis van Jan van Rijswick, nu Spoorstraat 71. De komst van de bevrijders werd de volgende ochtend aangekondigd door een beschieting vanaf Melderslo, Horst en Oirlo.

 

Een van de bewoners van het huis ging met een witte vlag naar buiten om aan de Britten duidelijk te maken, dat de Duitsers al vertrokken waren. Pas daarna trokken de eerste tanks van het derde bataljon van de Scots Guards en de infanteristen van de Argyll en Sutherland Highlanders onder leiding van D.R. Morgan de overweg over en Tienray binnen.

Zij maakten tijdelijk kwartier in de buurt van het klooster en bleven drie dagen in Tienray. Zij werden behoorlijk op de proef gesteld. Daarbij raakten twee militairen gewond: Luitenant W.J.D. Sword en sergeant Macmillan.

Bij Antoon Teeuwen (adres D13), nu Swolgenseweg 40, werden later twee soldaten tijdelijk begraven; de 31 jarige John Irvine en Henry William Marshall, 21 jaar oud.

Later werden ze herbegraven op het oorlogskerkhof in Venray. De bevelhebber, generaal Dempsey, vestigde zich in maart 1944 in de pastorie in Swolgen en liet zich van daaruit in een jeep naar het vliegveldje op de Gun brengen. De weg waarover hij toen vaak reed, werd door enkele jongelui uit Swolgen naar hem genoemd. Later heeft de gemeente dat idee overgenomen, al werd de naam foutief geschreven.

 

Behalve de reeds genoemde slachtoffers kwamen nog om: mevrouw Emons, Jacobus Gielen en Peter Matthijs Fleurkens, die in Tienray alleen bekend was als Ties van de Baan.

Na de oorlog speelden enkele kinderen met achtergebleven wapentuig. Michel Knoops (18 jaar) kwam daarbij in 1945 om het leven.